Zogenoemde vogelkooi-vaas op standring en met een wijd uitlopende mond. Geen proenmerken op de onderzijde. Rond het lichaam is een kooi van metaaldraad aangebracht, geplaatst in houten banden die aan de vaas bevestigd zijn. Aan weerszijden van de vaas een handvat in de vorm van een olifantshoofd. Gedecoreerd in onderglazuur blauw met pioenrozen en bladranken. Op de hals vier uitgespaarde, bladvormige panelen, gevuld met papier-mâché met een ingedrukt ruit patroon. Aan de binnenzijde van de mondrand twee grote draken die een vlammende parel najagen tussen de wolken. In de kooi zijn twee losstaande vogels aangebracht, staande op een rots en twee prunusbomen, tegen een vergulde achtergrond met daarop in zwart geschilderde pijnbomen. Bovenaan de kooi een ruyi ornament van verguld papier-mâché.
De vaas is er een van een set van drie die in 1818 werden geschonken aan het Kabinet van Curiositeiten van Koning Willem I. In de begeleidende brief beschrijft mr. H. Carbasius Bzn (1761-1823) zijn geschenk als volgt: Drie uitmuntende groote Sinesche potten, met verguld lofwerk, waarachter enige vogels, zeer fraai bearbeid. Toen deze collectie verdeeld werd onder de verschillende Nederlandse musea gingen er twee vazen naar het Rijksmuseum te Amsterdam, de derde, die beschadigd was, naar het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden. Hier werd de vaas in 1900 afgestoten en is hoogstwaarschijnlijk vernietigd.
Er zijn meerdere van dergelijke vazen bekend, waarvan de meeste (12 stuks in totaal) zich in de collectie van Augustus de Sterke in het Zwinger Museum, Dresden bevinden. Andere exemplaren bevinden zich in Oxford en Salem. Deze voorbeelden zijn allen min of meer gelijk en het is goed mogelijk dat ze deel uit hebben gemaakt van een enkele, ongetwijfeld privé, bestelling.
Lit.: C.J.A. Jörg, Fine and Curious: Japanese Export Porcelain in Dutch Collections, Leiden 2003, cat.nr. 344