Diepe schotel op voetring, gebogen opstaande wand, spreidende vlakke rand met licht geschulpte kant. De bodem is ongeglazuurd. Versierd in onderglazuur blauw. Binnenin op het plat in een medaillon een rivierlandschap met bloeiende planten bij een landtong met daarop vier watervogels; drie vogels komen aanvliegen. Op de wand zes brede en smalle vakken met bloeiende planten en symbolen; op de rand drie monsterkoppen met krullende manen op een ondergrond van ranken en chrysanten die in wit zijn uitgespaard in blauw. Onder op de rand drie bloemranken elk met twee bladeren en ranken, op de buitenzijde van de wand zes brede vakken met een paddestoel en zes smalle met een hangende kwast.
Schotel
China, 1595-1620
Hoogte 14 cm, diameter 50 cm, diameter voetring 26,5 cm
Princessehof Leeuwarden
inv.nr: NO 295
Deze diepe schotel of wijde kom is een fraai voorbeeld van kraakporselein en buitengewoon geod geschilderd in een zilverig blauw. Dit type exportgoed werd in de eerste helft van de zeventiende eeuw in grote hoeveelheden door de VOC naar Nederland verscheept waar het al gauw niet meer was weg te denken in het interieur. Niet alleen het nieuw, onbekende materiaal, ook de exotische uitstraling maakten het populair. Het kenmerkt zich door een dunne scherf, een beperkt vormassortiment en een versiering in onderglazuur blauw met onderwerpen die meestal natuurtafereln tot onderwerp hebben en daarom voor een brede verscheidenheid van afnemers acceptabel waren. De randversieringen zijn vaak ingedeeld in brede en smalle vakken.
De vorm - een ondiepe kom met brede, vlakke rand - wordt een klapmuts genoemd, een naam die ontstaan zal zijn door de overeenkomst met een muts met brede opslaande rand. Klapmutsen van kraakporselein komen in een aantal maten voor, variërend in diameter van 10 tot 30 cm. Grote klapmutsen zoals dit exemplaar zijn zeer zeldzaam en hun beschildering is altijd van uitstekende kwaliteit.
Publ.: N. Ottema, Handboek Chineesche Ceramiek, Amsterdam 1946, p. 176: M. Rinaldi, Kraak Porcelain, London 1989, p. 134, afb. 148