Voorwerp van de maand december

Peervormige vaas op een hoge, spreidende voet en met een lange, rechte hals. Vlakke, ongeglazuurde bodem. Zowel rond de buik als rond de onderkant van de hals zijn zes verticale blokken geappliqueerd; bovenaan de hals rond de mond zes staande holle kokers. Gedecoreerd in onderglazuur blauw en bovenglazuur geel en groen met rond de buik zes cirkels met Arabische opschriften tussen wolken en ruyi-motieven omgeven door wolken. Langs de voet een rand van hangende en staande bladeren, langs de hals banden met hangende bladeren, ranken en twee meanderbanden. Op de kokers wolkmotieven.

Pijlenvaas
China, 1550-1600
Hoogte 25 cm, diameter mondrand 3,7 cm, diameter voet 8,5 cm
Princessehof Leeuwarden
inv. nr. NO 16
Bruikleen Ottema-Kingma Stichting

Vazen met Arabische teksten zijn onmiskenbaar bestemd voor islamitische afnemers. Maar met dit stuk is iets bijzonders aan de hand. De vorm met de kokers rond de hals geven aan dat de vaas een nabootsing is van een metalen exemplaar dat bestemd was als doel bij het pijltjes schieten. Dit al heel oude Chinese spel is afkomstig uit de tijd waarin het boogschieten een van de zes kunsten was van een beschaafd heer. Gedurende de Ming-dynastie (1368-1644) werd het pijltjes schieten een geliefde vorm van tijdverdrijf onder zowel mannen als vrouwen in de gegoede bovenlaag van de maatschappij. Spelers dienden volgens duidelijk omschreven richtlijnen pijlen in een bronzen of ijzeren vaas, of beter nog in de kokertjes rond de rand te schieten of te werpen (ref. Kerr). Belangrijker dan het winnen of verliezen was het welgemanierd uitvoeren van de subtiele etiquetteregels binnen het complexe ritueel dat het spel omringde, waarbij de onderlinge rangorde en leeftijd van de deelnemers bepalend was. Een pijlenvaas werd daarom een belangrijk voorwerp geacht binnen de hoogste klasse in China. Deze vaas was waarschijnlijk bestemd als sierstuk of bloemvaas voor een hoge Islamitische beambte in China.

Refs.: D. Lion Goldschmidt, Ming Porcelain, London 1978, afb. 171; R. Kerr, Later Chinese Bronzes, London 1990, p. 48, afb. 37 en 39